Een nieuwe kijk op zorg en hulp voor jeugd en gezin

De casus van de maand januari

Het is alweer 3 jaar geleden dat ik voor het eerst bij familie B kwam. De ouders van dit gezin komen oorspronkelijk uit Marokko, maar zijn al zo’n 20 jaar in Nederland. Hun 4 kinderen (6, 8, 9 en 12 jaar) zijn allen in Nederland geboren. Bij vader is sprake van chronische psychiatrische problematiek, waarvoor hij behandeld is. De gesprekstherapie sloeg nauwelijks aan, vader heeft meer aan de medicamenteuze behandeling. Probleem is echter dat hij zijn medicatie niet trouw neemt; bij tijd en wijle heeft hij zoveel weerstand tegen zijn medicatie, dat hij zijn gebruik staakt. Met alle gevolgen van dien.

Ik leerde het gezin kennen in de tijd dat het erg onrustig in hun leven was. Vader had veel last van zijn psychiatrische klachten, was daardoor vaak opstandig en agressief, wat resulteerde in huiselijk geweld. Naar aanleiding van een zorgmelding van de politie werd het gezin bij ons aangemeld. Met de nodige argwaan lieten ouders me binnen, om me ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was. Er zou een eenmalig incident zijn geweest, waarbij de politie vader verkeerd had begrepen en de zaak bovendien enorm opgeblazen zou hebben.

Vanuit ons wijkteam zijn we gewend te werken vanuit het principe “Eerst buurten, dan zorgen”, waarmee we het belang van het opbouwen van een vertrouwensrelatie benadrukken. Hoewel elke samenwerking gebaat is bij een vertrouwensrelatie merken we dat dit bij het werken met andere culturen extra van belang is. Meteen tot the point komen werkt bij hen vaak averechts.
Echter, wanneer wij op gesprek komen naar aanleiding van een zorgmelding (en ouders niet om ons gevraagd hebben en doorgaans ook niet op ons zitten te wachten) ligt het probleem/onze zorg meestal wel meteen op tafel. Vaak gaat het dan over een onderwerp dat doorgaans moeilijk bespreekbaar is. Het is dan de kunst elkaar te gaan vertrouwen en begrijpen. Dit vraagt naast affiniteit met andere culturen, ook kennis over en vaardigheden in cultuursensitieve interventies.

Met dit gezin had ik een intensief traject, dat met vallen en opstaan is verlopen en na ruim 2½ jaar afgesloten kon worden. De situatie in het gezin was gestabiliseerd. Het gezin had geleerd hulp vanuit de familie te vragen en te ontvangen. Moeder nam deel aan de ouderkamer, waardoor haar isolement doorbroken werd. Vader deed twee keer per week vrijwilligerswerk, op het werk van een kennis. De twee oudste kinderen namen deel aan de KOPP-groep; een doe-praatgroep voor kinderen die opgroeien bij ouder(s) met psychische of verslavingsproblemen. De twee jongste kinderen gingen, met vergoeding vanuit het Jeugdsportfonds, op voetbal; zij wilden niet deelnemen aan de KOPP-groep. Bij de afsluiting van het traject keken we allen met een tevreden gevoel terug; er was veel bereikt, de situatie was stabiel en alle gezinsleden leken (redelijk) goed te functioneren.

Een maand geleden kom ik moeder op het schoolplein van haar kinderen tegen. We raken in gesprek met elkaar en al gauw vertelt moeder dat er problemen met hun oudste zoon zijn. Hij is betrokken geweest bij een incident van vandalisme. Moeder weet niet wat hen te wachten staat. Vader is woest; de ene keer op zijn zoon, de andere keer op de vriend van zijn zoon (die volgens vader initiatiefnemer van het incident was en een negatieve invloed op zijn zoon heeft). Maar vader is ook boos op de politie (omdat zij volgens vader altijd hun zoon en/of Marokkanen te pakken willen nemen). Op mijn vraag of ik iets voor het gezin kan doen, laat moeder weten het op prijs te stellen als ik kom praten over hoe het verder moet.

Helaas kent ons team een wachttijd, waardoor ik niet direct met het gezin aan de slag kan. Wel bieden we altijd een eenmalig (intake-)gesprek aan, waarin we inventariseren wat er speelt en wat er nodig is en we ook bespreken wat het gezin in de wachttijd al kan doen; al dan niet met hulp van anderen. Hierbij maken we gebruik van het zogenoemde ‘familiegroepsplan’. Met het familiegroepsplan maakt het gezin kenbaar waarbij zij geholpen willen worden, door wie en op welke wijze. Daar deze term vaak verkeerd begrepen wordt, spreek ik doorgaans van het ‘Plan van aanpak’.

Een week later ben ik bij het gezin en laat ik ouders vertellen over hun ‘Plan van aanpak’. Ouders hebben de indruk weinig keus te hebben; zij hebben nl. een brief van de politie gekregen waarin staat dat de wijkagent later die week bij hen op bezoek zal komen om te vertellen hoe het verder gaat. Ouders vertellen me weinig vertrouwen in de aanpak van de politie te hebben, daar hun zoon “geen respect” voor de politie heeft. Ik merk dat ik moet slikken bij die uitspraak; zelf ben ik opgevoed met aanzienlijk respect voor politie en allerlei andere hulpdiensten. Ik betrap me op de gedachte “zo’n snotneus en dan geen respect voor de politie……!?!”

Gelukkig kan ik mezelf gauw herpakken en vraag ik welke aanpak volgens ouders meer effectief zal zijn. Hierop laten ouders me weten dat hun zoon meer respect zal hebben voor de imam. Gezamenlijk besluiten we de imam voor het gesprek uit te nodigen. We spreken af dat ouders dit met hun zoon bespreken en ik het zal voorleggen aan de politie. Het gesprek kan niet plaatsvinden op de geplande datum later in die week, maar vindt twee weken later plaats (met ouders, zoon, politie en imam).

Moeder laat me nadien weten dat het gesprek positief is verlopen en die terugkoppeling krijg ik ook van de imam en van de politie. We hopen en vertrouwen erop dat de zoon van het gezin zijn lesje heeft geleerd.

Met moeder spreek ik af dat zij op onze wachtlijst blijft staan, zodat ik t.z.t. opnieuw met hen in gesprek kan, om te horen hoe het gaat en of er nog vragen/problemen zijn waarbij mijn hulp nodig is.

Wanneer dat niet het geval is, sluit ik daarna weer hun dossier.